Meervoudige Intelligentie

 

In onze aanpak neemt de theorie van Gardner over Meervoudige Intelligentie (MI) een belangrijke plaats in. Door observaties of gesprekken worden de intelligenties van de kinderen in beeld gebracht.

 

Negen intelligenties

Ieder kind leert op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo. De een werkt liever samen, de ander werkt graag alleen. Er zijn kinderen die meteen iets uitproberen. Anderen lezen eerst de instructie. De een is visueel sterker, de ander auditief. Psycholoog Howard Gardner introduceerde halverwege de vorige eeuw het begrip meervoudige intelligentie. Hij onderscheidde negen gelijkwaardige soorten intelligenties. Iedereen beschikt in meer of mindere mate over alle negen intelligenties. Meestal herken je je het meest in één tot drie intelligenties. In Spectrovita, ons leerlingvolgsysteem zijn de Meervoudige Intelligenties ook verwerkt.

 

Voorkeursintelligentie

Het lesaanbod bestaat uit een gevarieerd scala aan werkvormen, materialen, onderwerpen en verschillende lesmethodes. Deze voldoen allemaal aan de gestelde eisen, maar verschillen onderling in vormgeving, lesopbouw en aangeboden strategieën. We zoeken met ieder kind naar een methode en werkvorm die het beste aansluit bij zijn voorkeursintelligentie(s) en behoeften. Hierdoor sluiten we optimaal aan bij zijn intelligentie(s) en leerstijl.

 

De negen intelligenties die psycholoog Howard Gardner onderscheidt, zijn:

Verbaal-linguïstisch: Het kind is ‘talig’, kan al vroeg praten, houdt van spreekbeurten en boekbesprekingen, vindt lezen leuk, kan uren verhalen vertellen, heeft een grote woordenschat, begrijpt een mondelinge uitleg, leert door taal.

Muzikaal-ritmisch: Het kind houdt van muziek, hoort ritmes in zinnen en woorden, is gevoelig voor geluiden om zich heen, kan rijmpjes goed onthouden, onthoudt de tafels als ze op een melodietje worden aangeleerd, leert met behulp van muziek en ritmes.

Interpersoonlijk: Het kind wil bij de groep horen, wil altijd alles samen doen, wil de kleren die ‘iedereen’ heeft, is gevoelig voor stemmingen en sfeer, wil samen met anderen huiswerk leren, vindt het belangrijk te horen wat een ander van hem of haar vindt, leert door feedback.

Visueel-ruimtelijk: Het kind ziet alles voor zich, heeft een rijke fantasie en wil plaatjes zien. Het krijgt het steeds beter in onze maatschappij dankzij de computer, video en beeldmateriaal. Een kind dat visueel-ruimtelijk is ingesteld leert door zien en leert doordat een ander het voordoet.

Existentieel: Heeft te maken met de kosmos, maar ook met de zin van het leven. Filosofen en spirituele leiders kunnen deze intelligentie bezitten, net als mensen met belangstelling voor religie.

Lichamelijk-kinestetisch: Het kind kan niet stil zitten, moet altijd even iets of iemand aanraken, houdt van bewegen, wil voelen hoe iets werkt, leert de ‘S’ door hem eerst te ‘lopen’, leert door doen en experimenteren.

Naturalistisch: Het kind houdt van de natuur, houdt van dieren, is gevoelig voor het klimaat, voor weersveranderingen, heeft oog voor details, kan goed rubriceren: wat hoort bij welke soort? Het kind leert door en met de natuur.

Logisch-mathematisch: Het kind ‘goochelt’ met getallen, telt alles wat hij ziet of doet, ordent de wereld op zijn manier, leert door ordenen en is vaak een goede rekenaar. Het kind werkt volgens een eigen systeem.

Intrapersoonlijk: Het kind is de denker, de filosoof die ‘uren’ kan doorvragen: ‘maar als … en wat als er dan …’ Het kind betrekt alles op zichzelf, wordt soms als te serieus gezien, leert door kritisch bevragen en overwegen.

Benieuwd naar wat we zoal doen? Laat je email-adres achter.



Uit de praktijk: